Een pleidooi voor meer ‘What if …’

Ik mag binnenkort een presentatie houden voor een Nederlandse onderneming.


De bedoeling is dat ik vanuit mijn journalistieke ervaring laat zien hoe media en (serieuze) journalistiek functioneren. Maar mij is door het bedrijf óók gevraagd een schets te geven van de media en journalistiek van de toekomst. Het bedrijf wil namelijk weten hoe dat medialandschap er uit gaat zien, zodat het bedrijf daar optimaal rekening mee kan gaan houden. Ik vind de uitnodiging getuigen van lef en bedrijfsintelligentie.

Als financieel-economisch journalist weet ik namelijk als geen ander dat er weinig bedrijven zijn die over hun toekomstige umfeld nadenken. Zeker niet als het om afdelingen gaat als coporate communications, media relations of investor relations.

Mijn ervaring heeft mij geleerd dat bedrijfsprocessen zodanig ingericht zijn, dat elk personeelslid continu iets te doen heeft. Als een of meerdere personeelsleden namelijk zonder bezigheden en werk zitten, dan is zijn de werkprocessen niet optimaal efficient ingericht. In de dagelijkse prakijk van de aantrekkende economie en oplopende personeelstekorten, komt het het er zelfs op neer dat het bestaande personeelsbestand meer te doen heeft dat er uren zijn; overwerk.

Logisch gevolg is, dat denken en praten over de plek van het bedrijf in de toekomstige wereld, er bij inschiet. Simpel gezegd: de omzet- en winstdoelstellingen slurpen de faciliteiten en middelen op, die nodig zijn om na te denken over de-wat-verder-liggende toekomst. Met de benen op tafel praten over lange termijn strategie en beleid is er al helemaal niet bij.

Ik bewonder en waardeer het bedrijf dan ook, dat mij heeft uitgenodigd om na te denken over de toekomst van de journalistiek. Het bedrijfsonderdeel (waarvoor ik mijn presentatie kom houden) durft de cijfers, KPI’s en doelstellingen voor (tenminste) een paar uur te laten voor wat ze zijn. Het personeel op die afdeling creëert daarmee voor zichzelf een situatie waarin nagedacht kan worden over wat er áchter de zichtbare horizon ligt.

Ik realiseer mij heel goed dat dit onmogelijk is voor bedrijven waar het water aan de lippen staat. Die kunnen geen minuut productieverlies lijden. Maar ondernemingen die ook maar een klein beetje surplus hebben, doen er verstandig aan om die ruimte af en toe wél te nemen.

Ik weet dat deze situatie bij veel journalistieke organisaties en mediabedrijven niet opgaat. Er is in de sector namelijk te weinig financiële ruimte, waarmee de cijfers even kunnen worden gelaten voor wat ze zijn en in plaats daarvan na te denken over de toekomst in het algemeen en de plek van het bedrijf daarin, in het bijzonder. Ik accepteer dat en het is voor mij dan ook een drijfveer om mij in te zetten voor de journalistiek in de toekomst. Maar die nijpende situatie roept bij mij wel de “what if …” vraag op. Wat als de uitgevers en andere mediabedrijven ergens in het verleden een moment de tijd hadden genomen om te denken over de toekomstige journalistiek en media ? Wat zou daar uit gekomen en zijn en wat hadden de journalistieke bedrijven met de uitkomsten gedaan ? Hadden ze iets kunnen bedenken en doen om te voorkomen dat ze in de situatie zouden geraken waar ze nu in zitten ?

Zoals ik al aan het begin van deze column stelde: het getuigt van lef en van bedrijfsintelligentie om dat af en toe te doen. Ik kom graag mijn presentatie houden.

Meer nieuws van René de Monchy

René de Monchy

Column René de Monchy

René de Monchy

The Decade of the Brain